Nieuwe pagina 1
     

¤ Mythologie


Het ontstaan van onze wereld

 

In overoude tijden, toen hemel en aarde en goden en mensen er nog niet waren, ontstond ver in het Zuiden Muspelheem: de wereld van de brandende zon, van het vuur. Aan de grens van Muspelheem zit de wereldreus Surtur met zijn vlammend zwaard. Hij bewaakt zijn rijk en bij het einde der wereld zal hij komen om de goden te overwinnen en de wereld in vuur te doen ondergaan.

In het hoge Noorden echter was Nevelheem: het vaderland van de koude winter, van het eeuwige ijs, van de nevels en de duisternis. En er was een bron in Nevelheem, die Hwergelmir heette: de ruisende kolk. Uit deze bron kwamen twaalf rivieren, die naar het Zuiden stroomden, tussen Nevelheem en Muspelheem in de afgrond stortten en daar tot ijs verstarden. En doordat het water ononderbroken door stroomde, stapelde de ene ijsschots zich op de andere, totdat de gapende diepte geheel gevuld was.

Toen kwamen er vonken vuur uit Muspelheem overge­waaid, die op de ijsschotsen neervielen en deze verwarmden. Daaruit ontstond toen de reus Ymir.

Uit de kruiende ijsschotsen kwam ook de koe Audhumbla te voorschijn. Met haar melk voedde Ymir zich. Op zekere dag lag de reus te slapen en toen groeide uit hem onder zijn ene arm een zoon en onder zijn andere arm een dochter, en van deze beide stamt het gehele geslacht der wereld­reuzen af.

De koe Audhumbla likte aan de zilte ijsschotsen, en zie! toen kwam er een man uit te voorschijn, die Bur heette en diens zoon was Bör. En Bör nam de dochter van een reus, Bestla, tot vrouw en kreeg drie zonen: Wodan, Honir en Loki.

Het duurde niet lang of de drie broers werden groot en sterk, en toen trokken zij ten strijde tegen den oude reus Ymir.

Er ontbrandde een verschrikkelijk gevecht; Ymir werd gedood en er stroomde zoveel bloed uit zijn wonden, dat alle ijsreuzen daarin verdronken; slechts één van hen, Bergelmir geheten, wist zich met zijn vrouw op een boot te redden, en van deze beiden stammen alle latere reuzengeslachten af.

Wodan, Honir en Loki namen de dode Ymir, wierpen hem midden in de dampende afgrond tussen Nevelheem en Muspelheem en vormden uit hem de wereld. Uit zijn vlees schiepen zij de aarde, uit zijn bloed de zee en alle water, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn tanden de stenen, uit zijn schedel de hemel. Toen namen zij de wenkbrauwen van de reus en schiepen daaruit een stevige dijk tegen de zee. Zo waren land en water van elkaar gescheiden, en de aarde werd droog, en er bloeiden gras, bloemen en bomen uit op. De goden nu noemden het vruchtbare land Midgaard en be­stemden het tot woonplaats voor toekomstige mensengeslachten.
 

Bron: www.Hagal.be