|
Dag en nacht
Een der reuzen had een
dochter, die Nacht heette. Haar blik was somber en zij droeg
een donkere mantel en een golvende zwarte sluier. Haar zoon
heette Dag en bezat een stralende schoonheid. Wit en rood en
vriendelijk was zijn gezicht en zijn haren schitterden als
goud. Zijn kleed was blank als sneeuw en glansde als witte
zijde.
En Wodan gaf aan Nacht een zwarte wagen en een zwart paard,
dat Hrimfaxi (Rijpmanen) heette, omdat zijn manen geheel met
rijp bedekt waren. Aan haar zoon Dag echter gaf hij een
prachtig wit paard, Skinfaxi, en een wagen die schitterde
als goud.
Als het nu avond wordt, rijdt Nacht omhoog naar de hemel en
overschaduwd met haar zwarte mantel de aarde. Hrimfaxi
schudt de rijp uit manen en staart, en het schuim uit zijn
bek valt als dauw omlaag.
‘s Morgens vroeg ontwaakt Dag uit zijn sluimering. Dan
stijgt hij in zijn wagen en neemt de teugels van Skinfaxi in
de handen. In het Oosten gaat de gouden hemelpoort open en
Dag rijdt omhoog, over zijn blauwe weg. Dan vluchten de
schaduwen van Nacht, de lucht wordt helder en de stralende
manen van het witte paard verlichten de aarde.
Alle schepselen begroeten de schonen Dag met vreugdegejuich,
want de dag brengt licht en leven. In twaalf uren heeft Dag
zijn lange weg afgelegd, dan duikt hij in het verre Westen
onder in zee en zijn moeder Nacht begint haar rit.
Bron:
www.Hagal.be
|